× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 250  Carpus van Thyatira met Papylus, Agathonica en Agathadorus (e.a.?)

Info afb.

Carpus (ook Carpos, Karpos of Karpus) van Thyatira, Pergamon, Klein-Azi; bisschop & martelaar met diaken Papylus (ook Papylas), Agathonica en Agathadorus; (sommige bronnen voegen er nog aan toe: Martialis, Isaac en vier-en-twintig anderen die niet met name worden genoemd); 250 (of 150?).

Feest 13 april & 12 & 13 (oosterse kerk) oktober.

Carpus was bisschop van Thyatira. Papylas was zijn diaken; Agathadorus was hun slaaf. Uit onderstaand procesverslag zouden we op mogen maken, dat Agathonica stond toe te zien bij de terechtstelling van de martelaars. Zij werden allen ter dood veroordeeld, omdat ze de keizer niet gehoorzaamden en hem niet de verschuldigde goddelijke eer wilden brengen. Adembenemend is het moment dat zelfs de omstanders beginnen te morren bij Agathonica's terechtstelling: ze vinden hun overheid onmenselijk! Volgens anderen was Agathonica geen toeschouwer, maar Papylas' zuster. Wellicht moeten we dat verstaan als geloofstaal: alle gelovigen zijn dan immers broeders en zusters in de Heer. Wie een bekeerling maakte, verwekte - gelovig gesproken: voor God - een kind. Zo kan Papylas zeggen, dat hij - in God - vele kinderen heeft. Een van de omstanders blijkt zelfs te weten, dat het hier om de geloofstaal van de christenen gaat. Zou Papylas vele mensen tot het geloof gebracht hebben? Of beschouwde hij ook de armen, waar hij als diaken zorg voor had, als zijn kinderen?

De martelaars werden tijdens de christenvervolgingen onder keizer Decius te Thyatira gearresteerd en aan stadhouder Valerius voorgeleid. Hij liet zijn gevangenen op zijn dienstreizen met zich meevoeren. Zo komt het dat de zittingen van hun proces zich eerst in Thyatira afspeelden, en vervolgens in Sardes. In beide plaatsen moesten de arrestanten smaad en vernederingen ondergaan. Desondanks bleven ze standhaftig in hun geloof. Om een afschrikwekkend voorbeeld te stellen werd de slaaf, Agathadorus, die hen tot dan toe trouw had verzorgd, met ossenpezen doodgegeseld. Omdat Valerius voor zaken naar Pergamum moest, maakte hij van zijn reis voor zijn arrestanten een martelgang. Hij liet hen naakt uitkleden, ijzeren kettingen omhangen en achter de paarden van de soldaten vastbinden. Zo moesten zij de hele weg van twee lange dagen afleggen.

Van hun proces in Pergamum is het verslag bewaard gebleven. Klaarblijkelijk is de proconsul, die daar het proces voert, niet dezelfde als Valerius.

'De proconsul begon tijdens zijn verblijf te Pergamum aan het proces van Carpus en Papylas: "Hoe heet u?"
De heilige man antwoordde: "Mijn eerste en belangrijkste naam is 'christen'. Maar in de wereld heet ik Carpus."
De proconsul sprak tot hem: "U kent toch zeker wel de bevelschriften van de keizer dat we onze verheven goden moeten aanbidden? Daarom zou ik u op het hart willen drukken naar voren te komen en gewoon te offeren."
Carpus hernam: "Ik ben een christen. Ik vereer Christus, de Zoon van God. Nog niet zo lang geleden is Hij omwille van ons heil in de wereld gekomen; Hij heeft ons bevrijd van de doem van de duivel. Dus aan die afgodsbeelden zult u mij niet zien offeren. Want wie daaraan offert, wordt net als zij: zij zullen met hen in de hel verdwijnen. Terwijl ieder die God in geest en waarheid aanbidt, de dood niet zal zien."
Nu werd de proconsul kwaad: "Offer aan de goden zeg ik u en houd verder uw mond!"
Maar Carpus glimlachte vriendelijk terug: "Goden die de hemel niet hebben gemaakt en de aarde ook niet: daar verliezen we toch niets aan?"
De procunsel schreeuwde: "Offeren moet u: dat is wat de keizer bevolen heeft!"
Carpus gaf daarop terug: "Maar levenden brengen toch geen offers aan doden?"
Nu vroeg de procunsel: "Wat zegt u: noemt u onze goden doden?"
En Carpus gaf hem ten antwoord: "Luister. Ze hebben nooit geleefd. Hoe kunnen ze dan ook maar doodgaan? Als u nu ophoudt met hun eer te brengen, zult u zien dat ze alleen maar stof zijn: ze zullen tot niets vergaan. Maar onze God zal blijven tot in eeuwigheid!"
De procunsel zei: "Nu is het welletjes; u hebt van mij volop de gelegenheid gekregen die onzin van u uit te kramen, en zelfs onze goden en de keizer te beledigen. Dus basta. Offeren, of hebt u nog iets te zeggen?"
Carpus antwoordde: "Ik kan niet offeren. Ik heb nog nooit aan een afgod een offer gebracht!"
Daarop liet de proconsul hem op de pijnbank leggen. Met zwepen moest zijn vlees aan flarden geslagen worden. Intussen bleef Carpus maar roepen: "Ik ben christen!" Tot zijn krachten het begaven en hij geen woord meer kon uitbrengen.
Nu wendde de proconsul zich tot Papylas: "Bekleedt u een ambt?"
"Nee", antwoordde Papylas, "ik ben een eenvoudig burger."
"Waar komt u vandaan?"
"Uit Thyatira."
"Hebt u kinderen?"
"Ja, in God heb ik vele kinderen" was Papylas' antwoord.
Nu kwam n van de toeschouwers ertussen: "Dat zegt hij vanuit zijn christelijk geloof."
De procunsel sprak: "U wilt mij toch niets op de mouw spelden?"
Waarop Papylas reageerde: "Ik spreek de waarheid. Wilt u dat ik de bewijzen erbijhaal? In elke provincie en elke stad heb ik kinderen in God."
De procunsel sprak op bevelende toon: "Offer, of hebt u nog iets te zeggen?"
Papylus sprak: "Van kind af aan heb ik God gediend. Nooit heb ik aan afgoden geofferd. Ik ben christen. Dat wilde ik u nog even laten weten. Er is niets mooiers of hogers in het leven dan dat."
Ook hij werd op de pijnbank uitgerekt en met drie paar zwepen aan flarden geslagen. Maar als een sterke held verdroeg hij de woede van zijn tegenstander, zonder dat er ook maar een kik of klacht over zijn lippen kwam.
Toen de proconsul zag hoe verbazingwekkend standvastig deze twee waren, gaf hij bevel hen levend te verbranden. De twee wisten niet hoe vlug ze zich moesten haasten naar het amfitheater. Immers hoe sneller ze er waren, hoe vlugger ze deze wereld achter zich konden laten. Eerst werd Papylas aan de paal gespijkerd. Toen werd het vuur onder hem aangestoken. Zo stierf hij, vredig en vol overgave biddend.
Vervolgens werd Carpus vastgespijkerd. Het volk eromheen zag hem glimlachen en er werd geroepen: "Wat valt er nog te glimlachen?" Daarop gaf de zalige ten antwoord: "Ik heb de heerlijkheid van de Heer gezien. Dat maakt mij blij. En tegelijk kan ik jullie hier verlaten, zodat ik niets meer te maken hoef te hebben met jullie ongelukkige lot hier." Terwijl de soldaat nog bezig was de houtblokken op te stapelen en het vuur alvast wilde aansteken, riep Carpus vanaf zijn paal: "Wij zijn allemaal afstammelingen van Eva. Van haar hebben wij ook allemaal dat kwetsbare lichaam gerfd. Maar we zijn in staat alles te doorstaan, wanneer we onze gedachten gericht houden op het Laatste Oordeel." Nu werd het vuur aangestoken en hij bad: "Lof zij U, Heer Jezus Christus, Zoon van de Levende God, want zelfs ik, arme zondaar, ben door U waardig gekeurd, om naar U toe te mogen komen." Met deze woorden gaf hij de geest.

Onder de toeschouwers bevond zich een zekere Agathonica; net als Carpus zag zij de heerlijkheid van de Heer voor haar ogen oplichten. Dat verstond zij als een uitnodiging van de hemel. Zonder aarzelen begon ze dus te roepen: "Ook ik heb die heerlijkheid gezien. Prachtig is ze!"
Maar de omstanders begonnen haar toe te schreeuwen:
"Denk toch aan je jongen. Heb medelijden met je kind!"
Maar de zalige Agathonica antwoordde: "Laat de almachtige God maar voor hem zorgen. Hij is barmhartig. Ik voor mij zou niet weten wat ik hier verder nog te zoeken heb."
Zij trok dus haar bovenkleren uit en liet zich luid zingend vastspijkeren. De toeschouwers konden hun tranen niet bedwingen: "Afschuwelijk, zo'n vonnis; en onmenselijk die bevelen!"
Toen zij rechtop werd gezet en de vlammen haar bereikten, riep ze tot driemaal toe: "Heer! Heer! Heer! Help mij! Tot U neem ik mijn toevlucht!"
Zo stierf zij tezamen met de beide andere heiligen.

De christenen kwamen in het geheim de stoffelijke resten weghalen om ze in veilige bewaring te brengen. Zo droegen ze bij aan de eer van Christus en de roem van deze heiligen. Want Hem behoren de eer en de macht: aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, vandaag en tot in alle eeuwen der eeuwen. Amen.'

Sommigen menen dat hun martelaarschap niet ten tijde van keizer Decius plaats vond, maar zo'n honderd jaar tijdens de vervolgingen van keizer Marcus Aurelius (161-180).


Bronnen
[ 101p:58; 101a; 102; 106; 107; 110; 115a; 140; 246; 248p:29; 252; Dries van den Akker s.j./2001.07.28]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen