× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 288  Victor van Marseille

Info afb.

Victor van Marseille, Frankrijk; martelaar met Longinus, Alexander & Felicianus; † 287/288.

Feest 21 juli.

Hij was militair in het Romeinse leger, en stierf met enkele gezellen ten tijde van de christenvervolgingen keizer Maximianus (284-305) te Marseille de marteldood omwille van Christus. Van zijn martelaarsbericht zijn twee Acta (verslagleggingen) bewaard gebleven: een korte en een lange. Beide stammen uit later tijd. Hun waarde moet niet gezocht worden in een betrouwbare weergave van de feiten. Maar intussen spreken ze van de geloofsovertuiging van de schrijver. Hij geeft weer hoe volgens hem een proces verliep dat uiteindelijk tot de ter dood veroordeling en terechtstelling van de martelaar leidde. In de opmerkingen die de rechters maken, weerspiegelen zich waarschijnlijk de anti-christelijke argumenten van zijn tijd. Bovendien geeft het hem de gelegenheid Victor een vurige geloofsverdediging in de mond te leggen.

Keizer Maximianus verbleef in Marseille, een bekend christenhater. Zijn naam is verbonden aan het bloedbad bij Agaunum, waarbij Mauritius en het Thebaanse Legioen († 287/88; feest 22 september) het slachtoffer werden van zijn heidense bloeddorst. Maar dat staat nog te gebeuren.

Hier blijkt al meteen dat het niet zal gaan om een ooggetuigeverslag. Immers de schrijver verwijst naar gebeurtenissen die enkele maanden later elders in het Romeinse Rijk plaats zullen vinden.

Wel was bedenkelijke en angstaanjagende faam de keizer vooruitgegaan. Reden waarom Victor bij de gelovigen deur aan deur aan huis langs gaat om hen te bemoedigen en aan te sporen standvastig te blijven.

Hij wordt gearresteerd. Bij de eerste verhoren probeert men hem met zachte aandrang ervan te overtuigen als goed soldaat zijn soldij en de waardering van de keizer niet op het spel te zetten en terug te keren tot de Romeinse goden: “Wat zie je toch in die duistere man die al zo lang geleden gestorven is?” Maar geïnspireerd door de Heilige Geest weet Victor zijn ondervragers haarfijn uit te leggen dat de Romeinse goden boze geesten zijn: “Wat stelt de waardering van de keizer voor vergeleken bij de band met Christus? Jullie noemen hem een duistere figuur, maar Hij is de almachtige Zoon van de allerhoogste God. Uit liefde voor ons, mensen, is Hij de mens in zijn oorspronkelijke staat komen herstellen. Hij is een sterfelijk mens geworden. Het is waar: Hij is door boosaardige mensen ter dood gebracht. Maar zo heeft Hij het zelf gewild. Trouwens door de kracht van zijn goddelijke kwaliteit is Hij op de derde dag uit de doden opgestaan. Hij is opgestegen naar de hemel; daar heeft hij de macht gekregen over een Keizerrijk dat heerst over heel de schepping. Niemand zal Hem dat uit handen kunnen nemen.” Zo getuigt Hij van zijn geloof, waarbij zijn gezicht straalt van hemelse inspiratie. Maar de aanwezigen slaken kreten van pure afkeer. Omdat hij tot de vooraanstaande mensen van de stad behoort, besluit men zijn zaak voor te leggen aan het hof van de keizer. Zodra de keizer ervan hoort is hij buiten zichzelf van woede, en beveelt dat de zaak onmiddellijk, zonder een moment uitstel, moet voorkomen.

Net als Christus staat nu Victor tegenover de autoriteiten van het Romeinse Rijk om aldus te getuigen van de Geest die hem bezielt.

Zo dient Victors zaak voor een keizer die kookt van woede. De omstanders doen hun best de verdachte zo negatief mogelijk voor te stellen, en schuwen daarbij niet valse aanklachten en gemene slimmigheidjes te gebruiken, in de hoop dat ze hem toch zover kunnen krijgen dat hij offert aan de Romeinse goden.

De boosaardigheid van de omstanders en de valse beschuldigingen  herinneren aan Jezus’ lijdensverhaal. Dat is de bedoeling van de schrijver. Hij wil Victor neerzetten als een andere Christus (alter Christus), en schildert de heilige dus met karaktertrekken die ontleend zijn aan Jezus.

Daar treedt Asterius naar voren met de klacht: “Al twee maanden lang wil deze soldaat zijn soldij niet in ontvangst nemen met de kreet dat hij christen is. Ik heb hem dus in de gevangenis laten opsluiten. Maar daaruit weet hij geregeld te ontsnappen, terwijl hij toch streng door soldaten wordt bewaakt. Toch breekt hij elke nacht uit, zo heeft men mij verzekerd. Dat kan hij natuurlijk alleen maar doen met behulp van gemene trucjes.”

Dit feit horen we voor het eerst. Verderop zal het worden verteld. We herinneren ons dat in het boek Handelingen van de Apostelen Petrus op dergelijke wijze uit de gevangenis werd bevrijd (12,01-17). Ook van Paulus bestaat er zo’ verhaal (16,22-27). In Victor keren de tijden van de bijbel terug. Alsof hij behoort tot de eerste generatie leerlingen. De schrijver geeft aan hoe dicht Sint Victor bij Christus staat.

Als Maximianus deze beschuldigingen allemaal hoort, vraagt hij Victor: “Waarom neem jij de gebruikelijke soldij niet aan?”
Victor antwoordt: “Omdat ik niet soldaat van deze wereld wil zijn.”
“Hoe speel je het klaar ’s nachts uit de gevangenis te breken, terwijl je toch bewaakt wordt door soldaten?”

“Ik ging niet stiekem naar buiten, maar zichtbaar voor iedereen; de deuren waren open. Ik ging trouwens niet naar buiten om een wandelingetje te maken, maar om zieken te bezoeken wat ik altijd al heb gedaan. Toen de goede God zag dat ik in zo’n heilige taak door een wacht werd gedwarsboomd, stuurde hij zijn engel. Die opende de zorgvuldig afgesloten deuren en zorgde ervoor dat ik ondanks de strenge bewaking in alle vrijheid naar buiten kon gaan.”

In zijn eenvoud weet hij zijn ondervragers in de war te brengen en het zwijgen op te leggen. Dat maakt de keizer nog kwader dan hij al is. Hij begint te grommen als een wild beest en te sissen als een slang. Hij verordonneert dat Victor aan handen en voeten gebonden door de stad moet worden gesleept. Bijval en gejuich gaat op onder de omstanders. Zo wordt hij stevig gekneveld door de stad gesleept. Ieder komt kijken, want niemand wil iets van dit schouwspel missen. Alle toeschouwers dragen hun steentje bij aan de folteringen van de heilige. Ja, ze voelen zich schuldig als ze niets hebben gedaan om de pijn van deze man nog te vergroten.

Na afloop van deze martelgang wordt Victor onder het bloed weer voor het gerecht gesleept. Zijn beulen verkeren in de hoop dat zijn weerstand is gebroken en dat hij dus nu wel Christus zal afzweren en aan de Romeinse goden zal offeren. Voor alle zekerheid praten ze eerst nog op hem in: “Denk toch aan jezelf. Dit is toch waanzin!? Je gaat toch niet de vriendschap en de vertrouwelijke omgang met de goden en de onoverwinnelijke keizers op het spel zetten? Waarom zou je afzien van de genoegens en het eerbetoon van deze wereld? En het belangrijkste van alles: je eigen leven? En dat alles voor iets dat zo vaag is: niemand heeft er ooit iets van gezien. Waarom zou je iedereen tegen je in het harnas jagen, en je de haat op de hals halen van alle weldenkende mensen en zelfs van de goden? En dat, terwijl alles getuigt van hun schitterende werk en hun stralende aanwezigheid. Kijk naar de tempels die aan hen zijn gewijd. Kijk naar de weldaden die de mensen van hen ontvangen. Kijk naar onze glorieuze geschiedenis. Kijk naar onze vorsten: zij allen eren de goden. Kijk naar onze  welvaart. Als de goden niet op onze hand zouden zijn, zouden we niet eens bestaan! En trouwens, wees redelijk. Wat heb je te verwachten van een man die zijn leven lang arm is geweest en tenslotte een machteloze dood is gestorven? Dus als ik jou was zou ik maar kiezen voor de gunst van de keizer. Zo niet, dan zullen we je naar de glorie van die Christus – zoals jij dat noemt – moeten verwijzen. Maar die heeft nog nooit iemand gezien. Dan zal het je op dezelfde manier vergaan als Hem: je zult vernederd worden, de afschuwelijkste folteringen moeten ondergaan: het hele volk zal je uitkotsen.”

Als deze opmerkingen geen weergave zijn van het proces, dan spreken ze wel heel levendig van de argumenten die men in oude tijden tegen de christelijke levensovertuiging inbracht. Ze geven de schrijver de kans Sint Victor de tegenargumenten die in de loop der tijden ontwikkeld zijn, in de mond te leggen.

Daarop neemt de glorieuze martelaar het woord en spreekt ten aanhoren van alle aanwezigen: “Als het vandaag alleen maar ging om de keizer of de republiek, dan was ik gauw klaar. Want ik durf onder ede te beweren dat ik hem altijd trouw heb gediend en respect heb getoond. Elke dag draag ik met mijn broeders een offer op voor zijn welzijn en voor dat van de staat.

Naar het woord van Paulus werd er door de christenen tijdens de eucharistie gebeden voor de wereldse heersers.

Maar het gaat hier om iets veel groters. Welke weldenkende mens weet niet dat je de gunst van de keizer, de genoegens van deze wereld, roem en eer, vrienden, gezondheid en zelfs het leven zelf niet op eigen kracht kunt verwerven? Bovendien, dat gaat ook allemaal weer voorbij. Je kunt dus beter streven naar de gunst van God die dit alles gemaakt heeft. Hij zal je vorstelijk belonen, wanneer je die kortstondige genoegens opgeeft voor Hem. Wat je aanziet voor de dood blijkt dan een overgang naar een veel beter leven. Brengt dat lijden met zich mee, dan is dat geen straf, maar een uitzuivering. Maar het stomste dat je kunt doen is Gods vijand kiezen als god. Dan haal je de straf van het eeuwige vuur naar je toe. En wie bedoel ik met die vijand? Dat zijn degenen die een mens uitnodigen schaamteloze dingen te doen, die zelfs onder de mensen strafbaar zijn. Ik heb het over de goden waarover u sprak, daarnet, met hun gewetenloze misdaden, die aan de mensen voorgehouden worden in lofliederen en wier schandelijke voorbeeld wordt getoond in de theaters.

Neem Jupiter. Dat zijn toch misdaadverhalen. Hoe hij stiekem en openlijk overspel pleegt via list, geweld en bedrog. En u ziet toch zelf ook wel hoe de moeder van alle goden gruwelijk  incest pleegt: zij is zus en minnares tegelijk van Jupiter! En dan heb ik het nog niet over de onverzoenlijke krijgszucht van Mars, de smerigheden van Priapus, en de schaamteloosheid van Venus. Moet ik nog vertellen over al die goden en godinnen die dingen doen die u zelf afkeurt en waarvan u ook zelf zegt dat ze onmenselijk zijn?

In een schrijven van de kerkvader Hippolytus († ca 235; feest 13 augustus) worden de beroepen opgesomd die een geloofskandidaat moet opgeven, wil hij tot het doopsel toegelaten worden. Daartoe behoren ook de ambten van toneelspeler en schoolmeester. Immers de stukken die gespeeld werden, gingen over de mythen van de goden. En de literatuur die een onderwijzer behandelde, had meestal de godenverhalen als onderwerp.

Ik schaam me bijna u te herinneren aan de omstandigheden in de tempels van uw grote goden. Zij dwingen hun armzalige vereerders neer te knielen op plekken waar een normaal mens het niet zou uithouden. Daar staan ze in hout, steen of brons, door mensenhanden gemaakt, bevuild door vogels en allerlei ongedierte. Vereerd door uw voorouders in de veronderstelling dat ze voorspoed brachten. Maar tegelijkertijd door hen bestreden, want de mensen die hun voorbeeld volgden in hun dagelijkse praktijk, werden door u ter dood veroordeeld en terecht gesteld! En dat niet alleen. Wie hun voorbeeld volgt, wordt na dit leven nog eens gestraft met het eeuwige vuur.

Kunt u nagaan, hoeveel eerbied en bewondering wij hebben voor degene die ons het eerste heeft bemind: Hij kwam ons opzoeken, terwijl wij nota bene nog zijn vijand waren. Hij heeft ons het kwaad van de afgodendienst laten zien. Om ons daaraan te onttrekken, is Hij mens geworden zonder iets van zijn goddelijkheid te verliezen. Hij is met ons arm geworden om ons met zijn schatten rijk te maken. Zijn leven is een toonbeeld van rechtschapenheid en deugd. Zijn onrechtvaardige dood heeft ons verlost van de eeuwige dood. U had het erover dat Hij arm was. Maar weet dat één woord van Hem voldoende was om hele boten met vis te vullen (Lukas 05,01-11; Johannes 21,01-14), en dat Hij met vijf broodjes zevenduizend mensen wist te voeden.

Hier worden de beide broodwonderverhalen met elkaar verward. Volgens Markus  en Matteus werden bij het eerste broodwonder vijfduizend mensen gevoed met vijf broden (Mk.06,30-44; Mt.14,13-21); bij het twee wonder werden vierduizend mensen gevoed met zeven broden (resp. Mk.08,01-09; Mt.15-32-39).

 Zijn zwakheid straalde macht uit, want ze bracht genezing. Zijn sterfelijk leven deed heel wat doden weer opstaan. Hoe durft u dit alles in twijfel te trekken? U ziet toch hoe zijn leerlingen tot op de dag van vandaag dezelfde dingen doen? Precies zoals Hij tevoren had beloofd. Als Hij zo leiding geeft aan heel de natuur, moet Hij wel heel groot zijn. En als Hij zo volmaakt is en zo liefdevol voor iedereen, moet Hij wel boven alle lof verheven zijn. Er is niets heiliger dan zijn leven, niets zuiverder dan zijn leer, niets kostbaarder dan zijn beloften, niets vreeswekkender dan zijn dreigementen, niets veiliger dan zijn bescherming, niets begerenswaardiger dan zijn vriendschap, niets meer fantastisch dan zijn uitstraling. Welke god zou zich met Hem kunnen of durven meten? Alle goden van de wereld zijn afgoden, maar onze God heeft hemel en aarde gemaakt.

Al die andere goden zijn ten dode opgeschreven. Dat staat te lezen in de voorspellingen van de heilige profeten. Diezelfde profeten zeggen van onze God dat Hij hemel en aarde en afgrond gemaakt heeft en dat Hij troont hoog boven de hemelen. Verder roept de profeet: ‘Gelukkig degenen die de weg van de Heer gaan: zij zullen mogen delen in zijn glorie.’ Welnu, daar halen wij de moed vandaan om voor Hem te lijden. En uit het feit dat wij uw folteringen zo standvastig doorstaan, kunt afleiden hoe groot onze hoop is. Daarom zeg ik ook aan u allen hier, u die zo belangrijk bent, zo geleerd en verstandig: laat uw haat varen. En denk een ogenblik na. U draagt het beeld van onze God in u. Verduister dat niet door die infame goden te vereren. Krijg oog voor uw schepper, uw weldoener, zo heilig, zo mooi, zo rechtvaardig en zo genadig, dat Hij nederig wordt om u te verheffen. Hij wordt arm om u rijk te maken. Hij is gestorven om u leven te geven. Laat u prikkelen door zijn aansporingen; laat u uitnodigen door de beloning die Hij in het vooruitzicht stelt. Neem zijn vriendschap aan, zodat ook u - tot uw eigen vreugde - mag delen in zijn glorie.”

Maar de rechters reageren verontwaardigd: “Hoe durf je hier voor ons te staan preken? Nu kiezen: óf onze goden ter wille zijn, óf de dood.” Waarop Victor antwoordt: “Als het zo ligt, houd ik voet bij stuk. Ik verwerp uw goden en blijf trouw aan Jezus Christus. Ik ben bereid daarvoor alle folteringen te ondergaan die u ook maar verzint.”

De beide rechters zijn bijzonder verontwaardigd over dit antwoord. De één weet niet hoe hij bij het bedenken van een  straf de ander moet overtreffen in wreedheid. Dus raken zij onderling in een heftige discussie over de vraag wie hem uiteindelijk gaat berechten. Uiteindelijk geeft Eutychius toe en laat het aan Asterius over. Deze viert zijn overwinning door onze soldaat van Christus te laten kruisigen.

Een duidelijker Christusgelijkenis is niet denkbaar.

Temidden van de pijn heft hij zijn ogen ten hemel en bidt om uithoudingsvermogen en genade. Wetend dat vandaar zijn troost moet komen. De Heer Jezus wilde hem niet te lang op de proef stellen. Hij verschijnt aan hem met zijn overwinningsstandaard, zijn kruis. En hij zegt: “Ik ben Jezus. Ik draag de pijn die mijn heiligen wordt aangedaan. Wees moedig. Hou vol. Ik steun je in de strijd en houd de beloning voor je klaar.” Onmiddellijk voelt onze martelaar dat de pijn ophoudt. Zijn gezicht begint te stralen van vreugde. En vol bewondering om de troost die hij ontvangt brengt hij dank aan God.

De beulen zien in dat het geen zin heeft iemand te martelen die daar blijkbaar van geniet. Zij maken hem los en werpen hem op bevel van de prefect in de gevangenis zo diep en donker als maar kan. Ze zetten er ook nog bewaking bij. Maar de Heer Jezus houdt zich aan zijn belofte. Rond middernacht zendt Hij engelen naar hem toe. De deuren springen open en een helder licht, schitterender dan de zon, vervult de ruimte.

Hier wordt verteld waarnaar boven in het proces al werd verwezen.

Met deze hemelboden begint de heilige lofliederen te zingen voor God. Bij het zien van dit geheimzinnige licht, maken de bewakers een voetval voor de heilige, ze smeken om vergeving en vragen om het doopsel. Hij geeft hun een kort onderricht, want veel tijd is er immers niet. Daarop laat hij priesters komen en brengt hen nog diezelfde nacht naar de zee. Zij worden gedoopt en hijzelf helpt hen uit het water.

Zo begint de nacht van Victors wonderbare bevrijding en de doop van de gezellen steeds meer te lijken op een paasnacht!

De bekering van die soldaten – Alexander, Longinus en Felicianus heten ze – gaat de volgende ochtend als een lopend vuurtje rond. Maximianus reageert woedend. Zonder vorm van proces verklaart hij Victor verantwoordelijk voor dit alles. En wat die soldaten betreft: “Laat ze onmiddellijk een offer brengen aan onze goden; zoniet, geef ze de doodstraf.”

De gelukzalige Victor gaat deze nieuwe christenen dus vóór zich uit naar de hemel sturen. Hij bemoedigt ze met deze woorden: “Vat moed collega’s. Voor jullie gaat de strijd beginnen. Je zult al je standvastigheid en doorzettingsvermogen nodig hebben om je aan de geloften van het geloof te houden die je zojuist voor God hebt afgelegd. De vijand probeert je in je eerste momenten van je nieuwe leven te pakken in de hoop dat je door gebrek aan geloofservaring een gemakkelijke prooi voor hem bent. Maar geloof me, Jezus Christus is al veel dieper in jullie hart geworteld dan hij denkt. Zo onervaren ben je nu ook weer niet. Je hebt immers in het leger al een hele training gehad in strijd voeren. Je hoeft alleen maar het doel waarnaar je streeft te veranderen.

Juist zoals Jezus destijds aan vissers zei dat Hij ze vissers van mensen zou maken, zo wordt nu aan die soldaten gezegd dat ze soldaten van Christus zullen zijn.

Zorg ervoor dat God er tevreden over kan zijn dat Hij bij de doop jullie in zijn godsdienst heeft opgenomen, en dat Hij jullie heeft uitgekozen voor de strijd die nu gevoerd moet worden. Laat de vijand zien dat jullie niet verzwakt zijn door over te stappen naar een ander kamp. Dat de tijdelijke verschrikkingen jullie niet afhouden van het eeuwig heil dat al zo dichtbij is. Nog één beproeving en je hebt het! Slechts één gang langs getrokken zwaarden en je bent er. Als die weg je moeilijk toeschijnt, bedenk dan dat jullie koning diezelfde weg vóór jullie is gegaan. Hoor wat Hij zelf zegt: ‘Jullie zullen te lijden hebben van de wereld. Maar vrees niet, Ik heb de wereld overwonnen.’ Roep Hem dus in je hart en met je mond te hulp bij alle tegenstand. Hij heeft gezegd: ‘Zie, ik ben met jullie tot aan het einde van de wereld.’ Dan zal Hij je gebeden zeker verhoren. Sta me toe mijn eigen woorden te herhalen bij wijze van voorbeeld. Gisteren hadden ze mij aan het kruis genageld. Ik verging van de pijn, en smeekte Christus om genade. Hij verscheen inderdaad met de triomfantelijke standaard van zijn overwinning, en Hij zei: ‘Victor, de vrede zij met je. Ik ben Jezus en neem de pijn op me die mijn heiligen te lijden krijgen.’ Die woorden hebben mij zo sterk gemaakt dat alle pijn in één klap verdwenen leek. Daarom,  mijn dierbare broeders, verzamel je moed, houd onze redder Jezus Christus voor ogen. De weg die Hij gegaan is en waar ze Hem uiteindelijk gebracht heeft. Sla geen acht op de loze dreigementen van sterfelijk mensen. Je staat op het punt bij de engelen opgenomen te worden. Overwin het lijden dat slechts één ogenblik duurt om zo te ontkomen aan de eeuwige pijn. Als soldaat heb je geleerd liever te sterven dan de schande van een nederlaag te moeten dragen. En daar was het één noch het ander in staat je voor eeuwig verloren te laten gaan. Maar bedenk: de overwinning die je straks gaat behalen zorgt voor een koninkrijk waar nooit meer een einde aan komt.”

Op die manier spoort de heilige ze aan, terwijl zij intussen door gerechtsdienaren worden overgebracht naar de rechtszaal. Daar is zo’n beetje de hele stad naartoe gekomen. De meesten uit haat jegens onze godsdienst. Maar ook een paar uit verlangen om de duivel verslagen te zien worden door christenen. Het hele paleis weergalmt van het geschreeuw van de menigte. Ze vloeken en schelden op Victor. Ze roepen dat hij de soldaten die hij van de godsdienst heeft afgehaald, moet dwingen terug te keren. Maar hij geeft geen krimp. En hij roept terug: “Ik ga niet afbreken wat ik net heb opgebouwd.” Nu begint de ondervraging van Alexander, Longinus en Felicianus. Zij volharden in het geloof aan Jezus Christus. Prompt worden ze met het zwaard onthoofd. Zo verliezen ze hun lichaam, maar winnen hun ziel.

Naar een woord van Jezus: ‘Wat baat het u de hele wereld te winnen als dat ten koste gaan van uw ziel?’ (Matteus 16,26).

Bij het zien van deze terechtstelling bidt de glorieuze Victor tot de Heer onder tranen om de genade die twee in hun overwinning te mogen volgen. Tenslotte hadden ze – na God – aan hem hun bekering tot het geloof te danken. Intussen staat het volk ontzettend te schreeuwen om zijn dood. Hij wordt opgehangen en zijn lichaam wordt toegetakeld met stok- en zweepslagen. Als de beulen moe geworden zijn, slepen ze hem terug naar de gevangenis. Daar brengt hij drie dagen door in gebed, en beveelt hij - onder tranen en met heel zijn hart - zijn martelaarschap aan in de handen van de Heer.

Zo had Jezus gebeden aan het kruis: “In uw handen beveel ik mijn geest”(Lukas 23,46).

Als de keizer op de hoogte wordt gebracht van zijn standvastigheid, laat hij hem bij hem persoonlijk voorkomen. Hij wil zelf de eer hebben de laatste beul te zijn. Bij de ondervraging geeft Victor blijk van dezelfde vastberadenheid die hij ten toon had gespreid voor de eerdere rechters. Weer roept dat van alle kanten de woede op van de omstanders. Er klinken nog meer vloeken en dreigementen. Dan laat Maximianus een Jupiteraltaar brengen. Men plaatst het vlak voor de heilige. Er staat een afgodspriester bij die de plechtigheid moet leiden. De keizer zegt tegen Victor: “Neem wierook, offer aan Jupiter en betoon je onze vriend.” Nu kan de heilige zich niet langer inhouden. Vervuld van het vuur van de Heilige Geest stapt hij op het altaar af alsof hij inderdaad gaat offeren. Dan trapt hij het omver. Onder de ogen van de priester.

Ook hier herkennen we een gelijkenis met Christus. Had Hij immers in de tempel van Jeruzalem ook niet tafels omver gegooid? (vgl. Matteus 21,12-13; Markus 11,15-17; Lukas 19,45-46; Johannes 02,13-16).

 De keizer laat die voet onmiddellijk afhakken. (Deze wordt bewaard in de St-Victorsabdij te Parijs). De heilige maakt er een offer van en beschouwt dat als het eerste stukje van zijn lichaam dat hij straks in zijn geheel aan God zal geven.

Om zijn offer compleet te maken brengt men hem naar een molen. Hijzelf gaat zich erheen met een lichtvoetigheid, alsof er van pijn geen sprake is. Daar wordt hij op bevel van de keizer door de bloeddorstige beulen languit onder de molen neergelegd. Zo worden zijn botten gebroken als goddelijk graan.

Verwijzing naar de eucharistie? Daar wordt immers in de gedaante van brood  presentgesteld hoe Jezus’ lichaam voor ons werd gebroken.

Maar door een wonder breekt de machine in stukken. Te oordelen naar de ademhaling leeft de heilige nog. Dan wordt hij naar de definitieve overwinning gevoerd, nadat er zoveel strijd aan vooraf is gegaan, en hij op zoveel manieren heeft getuigd van Jezus Christus. Met het zwaard wordt zijn hoofd afgeslagen. Op hetzelfde moment klinkt er een stem uit de hemel: “Je hebt gewonnen, Victor. Jij hebt gewonnen.”

Maar de goddeloze Maximianus wordt nog altijd beheerst door de geest van afgoderij. Hij wil toch minstens na de dood winnen van degenen die bij hun leven hadden gewonnen van hem. In een laatste opwelling van onmenselijkheid verbiedt hij dat de martelaars begraven worden. Ze moeten in een baai van de zee gegooid worden die je daar hebt aan de zuidkant van Marseille. Maar God bewaart hen voor het welzijn van de kerk en de gelovigen. Door een bevel aan zijn engelen spoelen ze aan op de kust ertegenover. Ze worden geborgen door christengelovigen die ze eerbiedig begraven in een graf dat in de rots is uitgehouwen. Daar gebeuren tot op de dag van vandaag talloze wonderen voor het welzijn van degenen die er naartoe gaan en er op voorspraak van de heiligen tot God te bidden om allerlei gunsten.

Hem, Vader, Zoon en Heilige Geest, zij alle eer tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

[Ru2.1818pp:85-102]

Verering & Cultuur

In de 5e eeuw bouwde (Johannes) Cassianus († ca 433; feest 23 juli) vlakbij zijn graf een klooster dat zou uitgroeien tot de beroemde St-Victorsabdij. Nog tijdens Cassianus’ leven staat het bij de bevolking in de buurt als ‘het paradijs’.

In zijn boekje ‘De Glorie van de Martelaren’ geeft Gregorius van Tours († 594; feest 17 november) een beschrijving van de plek: ‘Het graf van Sint Victor, een  martelaar uit Marseille, bezit geweldige kracht. Niet alleen vinden zieke mensen die er naar toe gaan heel vaak genezing, ook bezetenen die zichzelf verwonden en de naam van de martelaar uitbrullen, blijken volkomen verlost als hun boze geesten zijn uitgedreven. De bediende van Aurelianus was bezeten van een boze geest: hij leed aan een afschuwelijke aandoening met als gevolg dat hij zichzelf geregeld beet. Ze brachten hem naar de kerk van de heilige. Eerst gaf  hij te kennen dat de kracht van de heilige in hem brandde als een vuur: hij danste de hele kerk door. Maar drie dagen daarna was hij ervan verlost en volkomen gezond. Hij werd beloond omdat hij zo op zijn geloof vertrouwd had. Hij ontving de kruinschering en werd op een goed moment zelfs tot abt gekozen, zodat hij aan het hoofd van een klooster kwam te staan.’

[GTM.1988p:99-100]

Het martelaarsbericht gaf zelf al aan dat de voet waarmee Sint Victor het Jupiteraltaar had omgeschopt, werd bewaard in de Sint-Victorsabdij te Parijs. Daar was de kostbare reliek door een schenking in 1115 terecht gekomen en genoot er tot aan de Franse Revolutie intensieve verering. Deze abdij lag op de linkeroever in het 5e arrondissement, ten zuidoosten van het Ile de la Cité. In de middeleeuwen was het centrum van wetenschap. Na de opheffing van de abdij tijdens de Revolutie werd de voet overgebracht naar de nabij gelegen kerk van St-Nicolas de Chardonnet. Er kwamen ook relieken naar Vlaanderen.

Hij is patroon van de kathedraal van Marseille, van molenaars, wapensmeden, zeelieden (als kerstening van Neptunus) en ook van kinderen. Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen bliksem en onweer.

Hij wordt afgebeeld als soldaat, zeer vaak met een molen(tje).

Weerspreuken
Entre Saint-Victor et Saint-Roch (16 augustus)
Des orages le plus grand choc.
[Tussen Victor en Rochus door
Komen de zwaarste onweers voor]

La pluie de la Saint-Victor
Fait que le laboureur n’aura pas d’or
[Sint Victors regen
Zit de werkt de landman tegen]

Pluie à la Saint-Victor
Ne fait pas de l’or
[Met Victor regendrop
Levert niks op]

S’il pleut à la Saint-Victor
La récolte n’a pas d’or.
[Met Sint Victor regen
Oogst valt ontzettend tegen]

S’i  ploût âl Sint Victôr,
L’awous ni vôt nin d’ l’ôr (Namur).
[Met Sint Victor regen
Oogst valt ontzettend tegen]


Bronnen
[TSÉ.1994p:51; Bdt.1925; Ha3.1839p:152; Lin.1999; Pra.1988; Rth.1993p:144; Dries van den Akker s.j./ 2010.01.15]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen