Sitemap   fb tw m Vertel verder s Gastenboek m Contact
Naar: www.beeldmeditaties.nl

        De website met meer dan 5332 heiligen, 4042 voornamen en 6217 afbeeldingen        

Welkom  | Heiligen  | Missaalheiligen  | Heiligenkalender  | Heiligen op naam  | Patronaten  | Voornamen  | Meer

† 1556  Ignatius van Loyola 


Info afbeelding + 11 andere afbeeldingen
 Inhoud van deze pagina  Algemeen
Uit het leven van Ignatius
Iganitius in jaartallen
Enkele gezegden van Ignatius
Preek
Jezuïeten in Delft en omstreken
Ontstaan jezuïetenorde 1
Ontstaan jezuïetenorde 2
Onze manier van doen
Tien paters aan de wieg

Ignatius (ook Iñigo) van Loyola, Rome, Italië; ordestichter & mysticus; † 1556.

Feest 20 mei (Pamplona: herdenking verwonding 1521) & 31juli.

Ignatius van Loyola was van Baskische adel. Zijn opvoeding was navenant. Tijdens een slag bij de stad Pamplona in 1521 gedroeg hij zich zo overdreven dapper, dat hij door een vijandige kogel werd getroffen aan de knie. Op dat moment was hij dertig jaar oud. In het stamslot te Loyola werd hij verpleegd. Er bleef hem niets anders over dan te dagdromen wat hij straks na zijn genezing allemaal voor een mooie, hoofse dame zou doen om haar aandacht en liefde te winnen. Tenslotte begon hij uit pure verveling de twee enige boekjes te lezen die er in het huis te vinden waren: een levensbeschrijving van Jezus, en een bundeltje heiligenlevens. Vanaf dat moment had hij er een onderwerp bij om over te dagdromen: 'Hoe zou het zijn als ik net als Sint Franciscus ging doen, of als Sint Dominicus?' Na verloop van tijd bemerkte hij hoe de dagdromen over Franciscus en Dominicus hem veel meer voldoening schonken dan de andere over zijn hoofse dame.

Intussen bleek dat de knie niet goed genas. Er groeide een vreemd uitstekend bot naar buiten. Omdat hij zo nooit voor zijn hoofse dame zou kunnen verschijnen, verzocht hij de dokter, nadat deze het been nog eens gebroken en opnieuw gezet had, het eenvoudig weg te zagen. Zonder verdoving en twee keer een traan wegpinkend doorstond hij deze barre operatie. Toch bleven de fantasieën over de navolging van de heiligen hem meer troost bieden. Hij beschouwde dat verschijnsel als een signaal van 'de goede geest', en trok de consequentie dat hij dus aan díe geest moest gehoorzamen.

Na zijn genezing - al bleef hij zich sindsdien wat hinkend voortbewegen - trok hij zich terug in de eenzaamheid, om nog veel meer gebedservaring op te doen. God had hem op zijn ziekbed door de innerlijke bewegingen van troost en dorheid de eerste lessen in onderscheiding der geesten en gebed bijgebracht. Hij zou dat ook in het vervolg blijven doen. Ignatius hield nauwgezet notitie bij van wat hij in zijn gebed doormaakte. Uit die aantekening is zijn handleiding voor het begeleiden van bidders gegroeid: de "Geestelijke Oefeningen".

Daarin legt Ignatius achtereenvolgens de nadruk op het ordenen van je leven, of beter het inordenen van je leven binnen Gods bedoeling met de wereld; vervolgens op de navolging van Christus door punctueel de evangelieverhalen te overwegen, te proeven en te smaken; en tenslotte op het vermogen om in alle dingen Gods liefde te zoeken en te vinden.

Hij was ervan overtuigd, dat deze gaven hem geschonken waren om door te geven. Zo begon hij mensen te begeleiden in hun gebed. Op zijn veertigste zette hij zich nog aan een theologiestudie te Parijs om beter onderlegd te zijn in het geven van de Geestelijke Oefeningen. Aan de universiteit probeerde hij met behulp van zijn gebedsmethode studenten te winnen voor Christus. Tenslotte vormde zich een groep van negen studenten rond de Geestelijke Oefeningen. De beroemdste van hen is wel Franciscus Xaverius, net als Ignatius een Bask, maar beider families leefden zo'n beetje op voet van oorlog met elkaar.

In 1534 legden de eerste paters de geloften af om daarmee te symboliseren, dat ze zich met al hun vermogens zouden inzetten om mensen voor Christus te winnen. Dit gebeurde in een kapelletje op de Montmartre, even buiten Parijs. In feite ligt daar het ontstaan van de jezuïetenorde, ook wel Sociëteit van Jezus genoemd. Ignatius heeft zich er altijd tegen verzet dat de door hem gestichte orde Ignatianen of Iniguïsten zou heten.

Helemaal onderaan deze pagina: De tien paters die aan de wieg stonden van de SJ-orde.

In 1540 werd de Orde officieel door de paus goedgekeurd. Het bijzondere was, dat de paus de onvoorwaardelijke volmacht kreeg om de leden ervan daarheen te sturen, waar hij, als plaatsbekleder van Christus, meende ze het meest nodig te hebben.

Ignatius was kort daarvoor door de anderen tot Algemeen Overste gekozen (in het Latijn van die dagen: Superior Generalis, kortweg 'Generaal' geheten). Tot aan zijn dood was hij het bezielende middelpunt van een snel groeiende en zich wereldwijd vertakkende organisatie. Hij bezwoer de paters om regelmatig brieven te schrijven, zodat hij op de hoogte kon blijven, en zich aan hun verhalen kon inspireren. Zelf schreef hij er zowel vóór als na zijn generaalskeuze duizenden.

Was de Orde in 1540 begonnen met tien man, zestien jaar later bij Ignatius' dood telde ze duizend paters en broeders, verspreid over vestigingen in heel Europa, Azië, Ethiopië en de beide Amerika's.

Zijn grafschrift luidt: "Voor hem was het kleinste niet te klein en het grootste niet te groot."

Hij is patroon van bezinningshuizen. Zijn voorspraak wordt o.m. ingeroepen voor het krijgen van kinderen, wanneer dat moeilijk lijkt (ook bij dieren).


Uit het leven van Ignatius van Loyola
Voor Rond Zending 2011, maart: Thema ‘Vasten’

a

Als Ignatius later terugkijkt op zijn leven, zegt hij over zichzelf: ‘Tot aan zijn zesentwintigste was hij iemand die zich overgaf aan de ijdelheden van de wereld. Wat hij vooral graag deed was zich oefenen in het hanteren van de wapens, met een groot en ijdel verlangen daarbij eer te behalen.’ (Zoals je merkt spreekt hij over zichzelf in de derde persoon. Dat deed hij met opzet. De nadruk moest niet op hem liggen, maar op de rol die God in zijn leven gespeeld had). In die tijd was hij al eens gearresteerd wegens openlijke geweldpleging. Aan die periode van zijn leven had hij ook een onecht kind overgehouden. Getroffen door een kanonskogel bij de verdediging van de stad Pamplona, was hij bijna een jaar gekluisterd aan het ziekbed. Tijdens die revalidatie maakt hij een bekeringsproces door. Als hij van het ziekbed opstaat, is hij een ander mens. Hij zoekt alleen nog God (‘Zijne Goddelijke Majesteit’) te dienen en te behagen. De eerste jaren na zijn bekering probeert hij door strenge vasten, versterving en boetepraktijken zijn fouten van vroeger goed te maken. Hij zal er zijn leven lang zelfs een maagzweer aan overhouden. Hij geselt zichzelf. Laat zijn nagels en haren groeien, zodat ieder die hem tegen komt, verachtelijk de neus ophaalt en liever een straatje omgaat. Vergeefse moeite. Hij ontdekt dat je de liefde van God niet kunt verdienen. En dat hoeft niet. God gééft ze. Gratis. Zomaar. Onverdiend.

Dat gaat zijn leven bepalen. Vanaf dat moment wil hij alleen nog maar anderen helpen die God te zoeken en te vinden in hun concrete levensomstandigheden. Dat is zijn doel. Al het andere maakt hij daaraan ondergeschikt. Hij gaat zichzelf weer verzorgen. Want als mensen worden afgeschrikt door zijn uiterlijk, kan hij ze niet helpen. Dat helpen is belangrijker dan het vasten. Om zo te zeggen: het helpen van anderen ís zijn vasten. Want hij moet er veel andere dingen die ook de moeite waard zijn, voor opzij zetten.

Dank je wel, Ignatius voor deze wijze les. Vasten is bedoeld om God meer ruimte te geven in je leven. Het kan nooit een doel op zich zijn. Vasten kan dus nooit ten koste gaan van iets belangrijkers: je gebed, je studie, de kwaliteit van je werk, de zorg voor de mensen om je heen. Vasten zou dat alles juist moeten verbeteren. Doet het dat niet, dan is het beter je te matigen in het vasten.

b

Bij de afbeeldingen:

Boven zien we Ignatius zichzelf geselen, geknield voor een kruisbeeld. Op het fanatieke af. Goed bedoeld, maar tevergeefs.

Hiernaast zien we hoe Ignatius tot het inzicht komt dat je God niet hoeft te verdienen, maar dat Hij een ‘Gegeven’ is. Letterlijk! Als de warmte van de zon. Wij eren Hem het meeste door daarvoor open te staan, het tot ons te laten doordringen en als van-binnen-uit ‘verwarmde’(= beminde) mensen in de wereld te staan.



IGNATIUS in JAARTALLEN

1491
Geboorte Ignatius van Loyola, Spaans Baskenland

1521
Ignatius gewond op slagveld; ziekbed; keuze om "te doen zoals Franciscus en Dominicus deden: grote dingen doen in dienst van God"

1522-1526
Ignatius leert bidden: "In die tijd deed God met mij wat een schoolmeester met een kind doet: Hij onderwees mij in het bidden."

1526
Theologiestudie te Parijs: "als 35-jarige temidden van kinderen op de collegebanken"; intussen maakt hij zich vrienden onder veelbelovende studenten door ze geestelijke leiding aan te bieden.

1534
Geloften van de eerste zeven gezellen in een kapel op de Montmartre te Parijs

1538
Ze bieden zich aan aan de paus "om als gezellen van Jezus gezonden te worden waarheen het hem goed zou dunken en voor welke zending dan ook"

1540
Paus Paulus III keurt de 'Sociëteit van Jezus' goed. Ignatius werd eenstemmig gekozen om de gemeenschap te leiden.

1540-1556
Vanuit Rome geeft Ignatius als generale overste leiding aan de jezuïeten over de hele wereld; onderhoudt intensieve briefwisseling met ieder van hen!

1556
Ignatius sterft: 31 juli.


ENKELE GEZEGDEN VAN IGNATIUS

Kijk naar Jezus voor je hangend aan een kruis en vraag jezelf af: wat heeft hij voor mij gedaan?
En: wat doe ik nu voor hem?

God werkt en zwoegt in heel zijn schepping en in mensen afzonderlijk als een bron van onophoudelijke liefde.

Als ik in mijn ziel niet iets zou ervaren dat niet van mezelf noch van iemand anders was maar alleen van God, dan zou ik niet kunnen leven.

Als de volmaaktheid alleen in goede verlangens bestond zou ik het van niemand ter wereld hoeven te verliezen.

Misschien is er wel niemand in dit leven die volledig begrijpt hoe hij door zijn eigen toedoen Gods werk in hem verhindert en wat God in ons zou kúnnen doen als wij het Hem niet beletten.

Als wij tot de gemeenschap van Jezus behoren moeten wij hetzelfde doen voor onze naasten als wat de engelbewaarders doen voor degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. We moeten hen namelijk zoveel mogelijk helpen om zalig te worden.
Maar als wij dat alles hebben gedaan moeten wij niet bekommerd of innerlijk in onvrede zijn als de anderen niet echt vooruitgaan.

In alwat wij doen moeten wij onze beste krachten geven, alsof alles van onszelf en niets van God afhing. Maar wij moeten daarbij innerlijk overtuigd blijven dat uiteindelijk alle goeds van Hem en niet van ons komt.

Alleen in die éne Naam (Jezus) is onze redding zeker.

We moet ons inspannen bij alles de juiste instelling te hebben: steeds oprecht beogend de Goedheid te dienen en te behagen, omwille van de Goedheid zelf en omwille van zijn liefde en weldaden, meer dan uit vrees voor straf of hoop op beloning, hoezeer dat ook kan helpen.

Het is goed om in alles wat we doen ernaar te streven aan de anderen de voorrang te geven, innerlijk allen als onze meerderen te beschouwen en uiterlijk bescheidenheid en eerbied te betonen. Ja, laat ieder in de ander Gods beeld erkennen.
Als je troosteloos bent, helemaal geen liefde voelt, integendeel alleen maar afwezigheid, verwarring, bekoring en neerdrukkende gevoelens en bewegingen van binnen - breng dan nooit veranderingen aan in de besluiten of voornemens die je maakte vóór je zo troosteloos werd. Blijf daar dan juist trouw aan.

Als je troost ervaart, dus gevoelens van liefde en vertrouwen en vurigheid en innerlijke blijdschap en vrede, maak je dan bewust hoe je je zult gedragen in de latere troosteloosheid en doe nu daarvoor nieuwe krachten op.

Meer dan welke wet of constitutie ook moet de inwendige wet van de liefde, die de Heilige Geest in ons hart schrijft en inprent, ons leiden en besturen, hoewel ook uitwendige richtlijnen daarbij meestal goed kunnen helpen.

Voor iemand die geestelijk wil leven is het van groot nut om totaal en niet alleen ten dele afstand te doen van al wat de wereldse mens liefheeft en omhelst en te aanvaarden en met al zijn krachten te verlangen wat Christus onze Heer lief heeft gehad en omhelsd heeft.
Zij die vooruit willen gaan in het geestelijk leven en waarachtig Christus onze Heer willen volgen moeten niet roem en een grote naam op aarde zoeken maar juist het tegenovergestelde liefhebben en intens vagen.

Soms was er in mij een zo groot beminnen en voelen of zien van Jezus, dat het mij toescheen dat er niets meer kon gebeuren dat mij van hem los zou kunnen maken...

De voortdurende beoefening van de nederigheid kan niet genoeg geprezen worden.

Wat jullie eenheid en het behoud van de goede onderlinge geest bevordert is allereerst de band van de wil, die de naastenliefde is, en de wederzijdse liefde; deze wordt gevoed door veelvuldig contact en wederzijdse kennis van zaken, eenzelfde leer en zoveel mogelijk eenvormigheid in alles. Maar vooral zal dit tot stand worden gebracht door de band van gehoorzaamheid.

Liefde bestaat meer in daden dan in woorden.

Liefde is een voorturende wederzijdse uitwisseling, zodat de een aan de ander geeft van wat hij heeft en kent en omgekeerd en zo in al het overige.

Vraag in je gebed om innerlijke kennis van zoveel goeds dat je ontvangen hebt, om in volledige erkenning zijn goddelijke Majesteit in alles te kunnen beminnen en dienen.

Neem, Heer, en aanvaard, mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en heel mijn wil, al wat ik heb en bezit: Gij hebt het mij gegeven.
Aan U, Heer, geef ik het terug. Alles is het Uwe. Beschik erover heel en al naar Uw wil.
Geef mij Uw liefde en genade, die is mij genoeg. Het doel van het leven is: God zoeken en vinden in alle dingen.

De mens is geschapen om God onze Heer te loven, eerbied te bewijzen en te dienen, en daardoor zijn ziel te redden. De overige dingen op het aanschijn van de aarde zijn geschapen voor de mens. Zij kunnen hem helpen om het doel te bereiken waarvoor hij geschapen is.
Hieruit volgt dat de mens er gebruik van moet maken voorzover ze hem helpen bij zijn doel, en zich ervan moeten ontdoen voorzover ze hem daarbij hinderen.
Daarom is het nodig dat alle geschapen dingen ons even lief zijn, en wel zó dat wij van onze kant gezondheid niet méér zoeken dan ziekte, rijkdom niet méér dan armoede, eer niet méér dan oneer, een lang leven niet méér dan een kort leven en zo verder in al het andere.
We moeten slechts verlangen en kiezen wat ons méér leidt naar het doel waarvoor wij zijn geschapen.

God werkt en zwoegt in heel zijn schepping en in mensen afzonderlijk als een bron van onophoudelijke liefde.

In al wat wij doen moeten wij onze beste krachten geven, alsof alles van onszelf en niets van God afhing.
Maar wij moeten daarbij innerlijk overtuigd blijven dat uiteindelijk alle goeds van Hem en niet van ons komt.

Als de volmaaktheid alleen in goede verlangens bestond zou ik het van niemand ter wereld hoeven te verliezen.

Liefde bestaat meer in daden dan in woorden.


Preek op het feest van Vader Ignatius in Penboc'h, 2003.07.31

0.
Deuteronomium 30,11-20
Johannes 01,39-43

1.
Wat ik het meest in Sint Ignatius bewonder is het vertrouwen dat hij in mensen stelde: in de bidders die de Geestelijke Oefeningen doen, in zijn medebroeders en de oversten in de jezuïetenorde. Dat vertrouwen was gebaseerd op de genade die hij had ontvangen om God te zoeken en te vinden in alle dingen. In alle dingen: dat gaf hem een bijzonder positieve kijk op onze wereld, de gewone wereld. Niet per se de wereld van het geloof of de wereld van het religieuze, maar ook de wereld van het profane. Daar kon je God zoeken en vinden. Daar ligt ook de reden waarom op onze colleges van oudsher paters profane vakken hebben gegeven.

1.1
Vandaag op het feest van Sint Ignatius, zou ik met u willen kijken hoe Ignatius die genade van 'God zoeken en vinden in alle dingen' gekregen heeft. Daarbij worden we geholpen door het evangelie dat zojuist is voorgelezen. Twee leerlingen van Johannes de Doper horen hun meester zeggen met het oog op Jezus die juist voorbijgaat: "Kijk, het Lam Gods." Ik weet niet precies wat die leerlingen daarbij hebben gedacht, maar bij twee van hen is in ieder geval de nieuwsgierigheid gewekt. Zij gaan Jezus achterna. Hij merkt het, draait zich om en vraagt: "Wat verlang je?"

Daarmee valt er een sleutelwoord uit de Ignatiaanse spiritualiteit: verlangen. In zijn Geestelijke Oefeningen raadt Ignatius de bidder aan elk gebed te beginnen met te vragen wat je verlangt: "Vraag wat je verlangt." Bij hem zelf speelde verlangen een enorme rol. Op een gegeven moment zegt hij zelfs: "Als de volmaaktheid alleen in goede verlangens bestond zou ik het van niemand ter wereld hoeven te verliezen!"

1.2
Jezus vraagt dus: "Wat verlang je?" En ik? Als ik een van die twee leerlingen was geweest en Jezus had mij gevraagd: "Wat verlang je?", wat zou ik dan geantwoord hebben...? De twee leerlingen antwoorden: "Meester waar houdt u verblijf?" Daarmee is een typisch bijbelse vraag gesteld, een fantastische vraag.

In de eerste lezing hebben we al een antwoord gehoord op die vraag: "Ik ben niet ver weg, niet in de hemel of aan de overkant van de zee. Nee, Ik ben in je hart en op je lippen." Maar misschien komt dit antwoord wel te vlug.

Laten we eens zien hoe Ignatius het antwoord heeft geleerd op de vraag: "Meester, waar houdt U verblijf?" Met andere woorden: hoe is Ignatius tot de genade gekomen om God te vinden in alle dingen, en hoe was hij uiteindelijk in staat om alle vertrouwen te hebben in de mensen, wetend dat God in hen verblijf hield. Langs welke weg is hij daartoe gekomen?

2.
We weten dat hij onmiddellijk na zijn bekering een pelgrimstocht heeft ondernomen naar het Heilige Land. Daar hoopte hij het antwoord te vinden op de vraag: "Meester, waar houdt U verblijf?" Maar hij vertelt niet veel over die pelgrimstocht zelf.

2.1
Om daar iets meer van te weten te komen, maken wij gebruik van een reisverslag van een zekere Ariald van Troyes († 1066). Ook hij maakte in zijn tijd een reis naar het Heilige Land, Palestina. Hij vertelt uitvoerig hoe dat ging. Hij zwom de Jordaan een paar keer op en neer op de plek waar Jezus zich had laten dopen. Hij bad met Jezus in doodsangst in de Hof van Olijven; Hij stortte tranen op de plek waar Jezus gekruisigd was; Hij verzamelde stof van de plek waar Jezus begraven had gelegen; Hij slaakte kreten van vreugde op de plek waar Jezus uit de doden was opgestaan; enz. enz. Hij herleefde het evangelie op de plek zelf. Alsof het evangelie opnieuw gebeurde tijdens zijn bezoek.

Ik denk dat Ignatius het ongeveer op dezelfde manier heeft gedaan, en dat hij dezelfde ervaringen opdeed. Zo doen de pelgrims naar het Heilige Land het nog. Daar houdt de Heer dus verblijf!

2.2
Ignatius was het liefst in Palestina gebleven; om de mensen rond te leiden en hen te wijzen waar Jezus verblijf hield. Om ze te begeleiden en over Jezus te vertellen, om hen te helpen het evangelie opnieuw te beleven op de plek waar zij zich bevonden.

Maar door zijn eigen stommiteit kon hij er niet blijven. Ignatius was behoorlijk eigenwijs. (Misschien zijn er onder u, die dat trekje van Ignatius herkennen bij zijn volgelingen, de jezuïeten?). Op een bepaald moment is hij op zijn eentje teruggegaan naar een plek die door de muzelmannen bezet werd gehouden. Dat was natuurlijk verboden: het was gevaarlijk. Maar hij deed het toch. De franciscaner gardiaan die uiteindelijk verantwoordelijk was, gebood hem weg te gaan. Dat was voor hem een grote teleurstelling. Maar achteraf kunnen we zeggen dat deze stommiteit van Ignatius uitermate gunstige gevolgen heeft gehad: 'gelukkige schuld' (felix culpa)!

3.
Thuis teruggekeerd schrijft hij zijn Geestelijke Oefeningen: handleiding voor het gebed. Hij kan nu niet de concrete plek aanwijzen waar een gebeurtenis uit het evangelie zich heeft afgespeeld. Daar moet hij dus een andere oplossing voor bedenken. En zo nodigt hij nu de bidder uit zijn fantasie te gebruiken en zich voor te stellen, hoe de plek van het te overwegen evangelieverhaal er volgens hem of haar uitziet. Nemen we als voorbeeld Ignatius' meditatie over Jezus' geboorte. Ik laat Ignatius aan het woord:

3.1
"Plaatsvorstelling. De plaats zien. Een compositie. Met het innerlijk aanschouwingsvermogen de weg zien van Nazareth naar Bethlehem en nagaan hoe lang en breed hij is en of hij vlak is of over dalen en heuvels loopt. Ook kijken naar de plaats of de grot van de geboorte: hoe groot of hoe klein zij is, hoe laag of hoe hoog en hoe zij is ingericht. [-] De personen zien. Onze Lieve Vrouw zien en Jozef . [-] Ik zoek een plekje in het geheel, ik kijk en ik luister, alsof ik er zelf bij was. Daarna tot mezelf inkeren om er enig voordeel uit te trekken." [Geest. Oef.112-14].

3.2
Let wel, Ignatius zegt niet: 'Die weg van Nazareth naar Bethlehem ken ik goed: ik heb hem zelf gezien. Hij is wel 120 kilometer lang enz. enz.' Als schoolmeester zou ik het inderdaad zo doen: dingen die ikzelf goed weet of mooi vind doorgeven aan anderen. Maar Ignatius doet dat niet. Hij zegt: 'Stel je maar voor hoe de omstandigheden waren van het verhaal in het evangelie. En zoals jij je het voorstelt, zo is het! Wat een vertrouwen in de bidder.

3.3
Zo gezien hoef je niet meer zo nodig naar Palestina om de Jezus van het evangelie te leren kennen. Nee, door zich de omstandigheden voor te stellen, brengt de bidder om zo te zeggen, zich het Heilige Land te binnen. Letterlijk. Hij wordt nu zelf Heilig land. Hij wordt de plek waar God zich opnieuw kan openbaren, waar God wederom mens kan worden.

3.4
"Meester, waar houdt U verblijf?" In ons! In onze mond. Op onze lippen.

4.
Daar kunnen we op het feest van Ignatius wel mee toe. Maar staat u mij toe er nog een klein dingetje aan toe te voegen.

4.1
De twee leerlingen vroegen aan Jezus: "Waar houdt U verblijf?" De evangelietekst zegt dat ze twee uur bij Jezus verbleven. Johannes, de evangelist, zegt niets over wat er precies gebeurde in die twee uur. Maar wel dat achteraf een van de twee - Andreas, een visser, een man die met beide benen op de grond stond - dat die Andreas zijn broer ging opzoeken met de woorden: "Zal ik je eens wat vertellen? We hebben de Messias gevonden!" Dat is nogal wat. De Messias. De mens van God waar elke jood al eeuwen op zat te wachten. En nu komt daar ineens Andreas met de mededeling dat hij hem gevonden heeft. Wat moet er dan gebeurd zijn in die twee uur daar bij Jezus? Wat zou er in mijn leven moeten gebeuren, zou ik durven zeggen: "Ik heb de Messias gevonden!"

4.2
"Meester, waar houdt U verblijf?" Persoonlijk heb ik de indruk dat een heel eind verderop in het evangelie van Johannes het definitieve antwoord op deze vraag te vinden is. In het 15e hoofdstuk horen we hoe Jezus tijdens het laatste Avondmaal met zijn leerlingen aan tafel aanligt. Dan zegt Hij: "Verblijft in Mij, zoals ik in de Vader verblijf." Daar heb je het definitieve antwoord op die vraag van het begin: "Meester waar houdt U verblijf?" "Ik verblijf in de Vader!" Zouden die twee leerlingen dát gevoeld hebben, toen ze zeiden: "Wij hebben de Messias gevonden"?

"Meester, waar houdt U verblijf?" "In de Vader. En jullie kunnen dezelfde genade ontvangen, als je verblijf houdt in Mij."

Straks wordt u uitgenodigd om diezelfde genade in ontvangst te nemen in de vorm van het sacrament. En wij zullen verblijf houden in Hem, zoals Hij verblijf houdt in de Vader. En wij zullen zelf Heilig Land worden: een plek, waar God zich kan openbaren, en waar Hij opnieuw mens kan worden.

Vader Ignatius, dank u wel.


JEZUÏETEN in DELFT en OMSTREKEN

Delft is de eerste stad in de noordelijke nederlanden waar jezuïeten zich vestigden: 1592. Het waren er vier. Twee waren Delvenaars: de paters Verburch en Duyst (van het aloude burgemeestersgeslacht). Zij vestigden zich in het huis van de tante van pater Duyst op het Bagijnhof. Holland was missiegebied, want officieel was alleen de Calvinistische godsdienst toegestaan. Op het Bagijnhof bevonden zich op dat moment twee schuilkerkjes van de wereldheren. In tegenstelling tot die parochiegeestelijken trokken de paters tot in de wijde omgeving door Holland en Delfland om katholieken te bezoeken.

Een van de latere paters is Lodewijk Makeblijde, een dichter. Bekend is zijn morgengebed:

"O Heer ik draag U op vandaag,
al is het klein van waarde:
al wat ik ben,
al wat ik ken,
al wat ik heb op aarde.
Ik wil van nu
voortaan, voor u
en t'uwer hoogste ere,
naar Gij gebiedt,
en anders niet
gebruiken of ontberen."

Hij kocht een woonhuis aan op de hoek van de Oudelangendijk en de Molenpoort en richtte er tegelijk een schuilkerk in: de "Papenhoek": op de plaats van de huidige Maria-van-Jesse-kapel, verbonden aan de Maria-van-Jesse-kerk.

Rond 1662 vestigde pater Schade een statie te Hodenpijl, gelegen tussen Den Hoorn en Schipluiden "in de Maaslandse regio"; thans is die boerderij tegenover de voorm. kath. kerk nog herkenbaar aan de kruisjes met IHS-insignes boven de vensters van de kelderverdieping.

Na veel geruzie met de wereldheren werden de paters uit Delft verjaagd: 1708. Op 6 januari namen de franciscanen de statie aan de Papenhoek over. Vandaar dat de toenmalige Jozefkerk tot diep in de 20e eeuw een franciscaner kerk was.

In 1948 keerden de jezuïeten terug naar Delft om op verzoek van deken Kok een katholieke school te stichten voor middelbaar onderwijs: het Sint Stanislascollege.


3 en 4 december 2008, Radio Maria (AM675)
(deel 1: 3 december 11:00, deel 2: 3 december 22:20, deel 3: 4 december 02:00)

Ontstaan jezuïetenorde 1


...speel bestand af...

De jezuïetenorde wordt officieel door de paus erkend en goedgekeurd in 1540, om precies te zijn op 27 september. Op dat moment bestaat die hele orde uit... tien paters. De twee bekendsten zijn Ignatius van Loyola uit Baskenland en de latere missionaris Franciscus Xaverius uit Navarra; vervolgens vier Spanjaarden van wie één bekeerde jood, twee paters uit de Zuid-Franse streek Savoye, en nog twee Fransmannen: één uit het zuiden en één uit het noorden. Ignatius wordt meestal beschouwd als de stichter. Hij zal door de negen anderen worden gekozen tot de eerste algemene overste, of zoals zij in het Latijn zeiden ‘superior generalis', door ons in Nederland vertrouwelijk aangeduid met 'pater generaal'. Bij Ignatius' dood, zestien jaar later in 1556, telt de orde al meer dan duizend leden. Ze zitten in Europa van de Zuidelijke Nederlanden en Duitsland tot diep in Sicilië; ze zijn uitgezwermd naar Zuid-Oost-Azië en Noord- en Zuid-Amerika.

Als Ignatius sterft, is hij 65 jaar. Hij werd geboren in 1491. Eén jaar voordat Columbus Amerika ontdekt. Als Ignatius ter wereld komt is Luther een jongen van acht jaar oud; Erasmus van Rotterdam is een nog een onbekende jonge monnik in de Noordelijke Nederlanden. Er breekt een nieuwe tijd aan. Terwijl Ignatius opgroeit aan de Spaanse hoven, brengt Michelangelo in het Vaticaan zijn beroemde schilderingen aan in de Sixtijnse kapel.

Ignatius zal later van zichzelf zeggen dat hij in zijn jonge jaren een onbesuisde man was; ijdel; bezeten door eerzucht en het verlangen gezien te worden. Hij stamt uit een oud adellijk Baskisch geslacht, oerkatholiek en hondstrouw aan de vorst. Zoals in zijn kringen gebruikelijk leert hij met de wapens omgaan. Hij leert hoofse manieren. Hij treedt als secretaris in dienst van de schatmeester van de koning, en droomt van een glanzende carrière. Hij heeft zijn oog laten vallen op een zeer hoog geplaatste adellijke vrouwe. Hij noemt haar naam niet, maar men vermoedt dat hij de jongste zus van keizer Karel V op het oog heeft. Die is ongehuwd, en leeft met haar moeder Johanna de Waanzinnige een teruggetrokken leven in een afgelegen kasteel. Als hij háár aandacht eens wist te trekken...

Natuurlijk biedt hij zich aan als de Noord-Spaanse stad Pamplona wordt bedreigd door Franse troepen. Hij krijgt het opperbevel. Op dat moment is hij dertig jaar. De overmacht is veel te groot. Alle officieren adviseren hem de hopeloze strijd te staken. Nooit! Tenslotte wordt hij getroffen door een Franse kanonskogel. Zo'n zware ronde stenen kogel ter grootte van een voetbal. De ene knie verbrijzeld, de andere ernstig gewond. Het zijn de vijandelijke Fransen zelf die hem naar het ouderlijk kasteel dragen, enkele tientallen kilometers verderop. Zijn knie wordt gezet - let wel: allemaal zonder verdoving. Dan breekt er een tijd aan van revalideren op bed. Een tijd van verveling. Zijn enige tijdverdrijf is fantaseren. Hoe zou mijn leven eruit zien bij mijn adellijke dame? Erotische dromen, heroïsche dromen, ridderlijke dromen.

Intussen blijkt dat er een bot aan de binnenkant van zijn knie naar buiten groeit. Geen gezicht. Bovendien zal het hem in zijn bewegingen hinderen. Zo kan hij zijn adellijke dame nooit onder ogen komen. De chirurgijns zeggen dat het weggezaagd kan worden, maar dat alle pijn die hij tot nu toe geleden heeft, niets is, in vergelijking met wat hem te wachten staat. "Doe het toch maar." De slachterij vindt plaats. Hij klemt zijn tanden op elkaar, de tranen lopen over zijn wangen, maar hij geeft geen kik. Zo één was Ignatius.

Hij verveelt zich. Ook fantaseren houdt een keer op. Hij vraagt aan zijn schoonzus: "Heb je echt geen boeken in huis?". We leven kort na de uitvinding van de boekdrukkunst. Boeken zijn schaars en peperduur. Bij zijn vroegere heer, de schatmeester, had hij een pas verschenen ridderroman gelezen. Wie weet, heeft zijn broer ook een exemplaar gekocht. Waarachtig, ze komt met twee boekjes terug: een navertelling van het leven van Jezus, en een bundeltje heiligenlevens. Niet wat hij gehoopt had. Maar altijd beter dan niks. Hij begint te lezen. Van nu af heeft hij twee dingen om over te fantaseren. Enerzijds: hoe zou het zijn met mijn hoog geplaatste adellijke vrouwe? Anderzijds: hoe zou het zijn, als ik ook ging doen als die heiligen uit het boekje? Per slot zijn dat ook een soort heldenverhalen.

Dan doet hij een ontdekking. Hij realiseert zich dat beide fantasieën hun eigen nasmaak achterlaten. Als hij dagdroomt van zijn edele vrouwe, is dat leuk zolang het duurt, maar het laat hem leeg achter. Terwijl, als hij dagdroomt over de vraag: 'En als ik eens zou gaan doen als de heilige Franciscus of als de heilige Dominicus?' dan houdt hij daar lange tijd een voldaan, verzadigd gevoelen aan over: 'troost' noemt hij het zelf. Zou het echt zo zijn? Hij gaat het uitproberen. Inderdaad, de gevoelens blijken consequent bij het een of bij het ander op te treden. Wat betekent dat? Oerkatholiek als hij is, komt hij tot de conclusie dat die gevoelens signalen zijn van God. Het troostgevoel interpreteert hij als Gods goedkeuring. Het uitblijven ervan als het uitblijven van goedkeuring. Dat betekent in zijn geval dus dat hij zich met de goede dingen bezighoudt als hij fantaseert over de vraag: 'Hoe zou het zijn als ik zou doen als de heiligen deden?' En na lang piekeren besluit hij: 'Dan is dat Gods wil. Dat moet ik dus gaan doen.'

Dat is het begin van zijn geestelijk leven. Van een jezuïetenorde is nog geen enkele sprake. Daar zullen nog achttien jaar overheen gaan.


Ontstaan jezuïetenorde 2


...speel bestand af...

Er gaat bijna één jaar voorbij, voordat Ignatius hersteld is van zijn verwondingen, opgelopen tijdens de verdediging van Pamplona. Eenmaal op de been onderneemt hij een pelgrimstocht naar de Monserrat, een Mariabedevaartsoord niet ver van zijn ouderlijk kasteel. Hij legt zijn zwaard aan de voeten van de Zwarte Madonna. Nu heeft hij een andere vrouwe om te dienen. De ijdele ridder en vechtersbaas is monnik geworden. Hij trekt de eenzaamheid in en woont als kluizenaar in Manresa, een plaatsje in de Baskische Pyreneeën. Hoe meer hij voor deze levenswijze kiest, hoe meer spijt hij krijgt van zijn vroegere leven. Hij moet het goed maken. Maar hoe? Hij doet een generale biecht, een biecht over zijn hele leven. Maar is dat genoeg? Hij legt zichzelf strenge boete, vasten en ascese op. Hij houdt er zelfs een maagkwaal aan over. Hij biecht nog eens, en nog eens. Totdat het hem door zijn biechtvader verboden wordt. Hij zegt dat hij zelfs het meest smerige straathondje achterna zou willen kruipen, als het hem naar de oplossing kon brengen. Er is niets meer over van die ijdele man van vroeger.

Het begint tot hem door te dringen hoe God op zijn ziekbed al contact met hem had gezocht. Terwijl hij nog dat ingebeelde, nare mannetje van vroeger was. Een naar mannetje, ja. Wilt u een voorbeeld? In zijn jeugd had hij een of andere lagere kerkelijke wijding ontvangen. Toen hij als tiener eens met een aantal kornuiten werd opgepakt wegens straatschenderij en geweldpleging, moest hij voor de rechter verschijnen. Daar zei hij dat de rechter hem niets maken kon, want als man met een wijding viel hij onder het kerkelijk recht. Inderdaad een naar mannetje dus.

Maar blijkbaar was hij voor God tóen al de moeite waard, hoewel daar van zijn kant nog helemaal niets tegenover stond. Dat was pure goedheid. Genade. Zomaar. Hij begint te beseffen dat hijzelf zijn fouten van vroeger niet goed kan maken. Het is een kwestie van accepteren dat God je neemt zoals je bent. Niet jouw verdienste, maar zijn goedheid. Die gedachte geeft hem troost. Later zal Ignatius zeggen dat God in die tijd met hem omging als een schoolmeester met een leerling. Een schoolmeester geeft complimentjes, wanneer leerlingen goed werk afleveren; dat geeft de leerlingen een fijn gevoel, een gevoel van troost, zou Ignatius zeggen. Die complimenten blijven achterwege, als dat niet het geval is. Juist zo gaf God hem complimenten, gevoelens van troost, als hij met de goede dingen bezig was, en bleven die gevoelens achterwege als dat niet het geval was.

Net als Luther ontdekte Ignatius dat God blijkbaar persoonlijk met jou contact zoekt. In Ignatius' geval door middel van indringende gevoelens. Later zal hij daar een boekje over schrijven: 'De Geestelijke Oefeningen', handleiding voor mensen die anderen in hun gebeds- en geloofsleven begeleiden. Handleiding voor het onderscheiden van de gevoelens, of zoals Ignatius het zegt: voor het onderscheiden van de geesten die jou bezighouden. Welke geesten kun je verstaan als signalen van God en welke niet?

In die kluizenaarstijd krijgt hij een overweldigend inzicht. Tijdens een wandeling gaat hij even zitten op een hoogte die uitkijkt over een riviertje. Ineens ziet Hij hoe de drie-ene God aanwezig is in heel de schepping. Hoe alle dingen en gebeurtenissen in deze wereld vervuld zijn van Gods aanwezigheid. Vanaf dat moment zal zijn belangrijkste levensdoel erin bestaan om God te zoeken en te vinden in alle dingen.

Na twee jaar kluizenaarsleven gaat hij erop uit. Nu hij dit ontdekt heeft, wil hij anderen gaan helpen in hun geestelijk leven. Hij trekt naar het Heilige Land. Daar wil hij pelgrims rondleiden langs de plekken waar Jezus heeft geleefd. Maar door eigen stommiteit kan hij daar niet blijven. Terug in Spanje komt hij in aanraking met de kerkelijke overheid, de Inquisitie. "U kunt geen mensen pastoraal begeleiden, als u daar geen studies voor heeft gedaan. Er lopen al genoeg kwakzalvers rond." Hij gaat studeren. Eerst Latijn tussen schoolkinderen. Hij is intussen 32. Dan aan de universiteit van Parijs. Zijn studiegeld moet hij bij elkaar bedelen bij rijke landgenoten in de Vlaamse steden.

Hoewel nog zelf student, begint hij op zijn kamergenoten zijn inzichten toe te passen: 'God is persoonlijk met jou bezig. Dat doet Hij middels verlangens en gevoelens. Ik heb het zelf meegemaakt.' Wat hijzelf heeft ondervonden geeft hij door. Hij is erop uit dat anderen dezelfde ervaring doormaken als hij: dat God persoonlijk aandacht aan je schenkt en jou de moeite waard vindt. Hij weet er zes te winnen. Met zijn zevenen leggen ze in een kapelletje op de Montmartre in Parijs samen de gelofte af dat ze arm en ongehuwd zullen blijven en hun leven zullen wijden aan het helpen van anderen, zoals ze het van Ignatius hebben geleerd. Dat is op 15 augustus 1534. Achteraf gezien ligt daar het begin van de jezuïetenorde. Er zullen nog zes jaar verstrijken voordat de nieuwe orde metterdaad wordt opgericht.

Zo probeert hij anderen voor zijn ideaal te winnen. Dat was in zijn tijd uitzonderlijk. Afgestudeerde priesters joegen in de kerk van toen een carrière na: je werd kanunnik aan een belangrijke kerk. Dat was een erebaantje: je deed zeven keer per dag de gebeden in de kerk en daar kreeg je een flinke vergoeding voor. Of je streefde ernaar bisschop te worden of kardinaal. Ignatius wil daar niets van weten: 'Wij zijn er om mensen persoonlijk te begeleiden en niet om een goed betaalde baan in de top van de katholieke kerk te ambiëren. Wij moeten gratis doorgeven wat wijzelf gratis hebben ontvangen,' aldus Ignatius.

Als ze alle zeven afgestudeerd zijn, besluiten ze naar het Heilig Land te gaan om daar pelgrims dichter bij Jezus te brengen. Mocht om de een of andere reden dat niet mogelijk zijn, dan zullen ze zich aanbieden aan de paus. Hij mag hen zenden waarheen hij wil. Als ze onderweg zijn naar Venetië breekt er oorlog uit tegen de Turken. Geen schijn van kans om het Heilig land te bereiken. Ze wachten een jaar. Intussen preken ze in de omgeving van Venetië; ze geven godsdienstlessen aan straatkinderen, bezoeken gasthuizen en dienen sacramenten toe.

Na een jaar is het nog altijd oorlog. Ze gaan naar de paus. Die is blij met - zoals hij ze noemt - deze hervormde priesters. In datzelfde jaar komen de eerste aanvragen van Europese vorsten die graag zouden beschikken over zo'n nieuw type priester. Nu rijst de vraag: misschien zien we elkaar nooit meer terug. Zouden we niet aan één van ons gehoorzaamheid beloven en zo een nieuwe religieuze orde stichten? Niet een orde die zich terugtrekt achter kloostermuren, maar die de wereld intrekt en zich onder de mensen begeeft, om hen te helpen God te zoeken en te vinden in alle dingen. Na een half jaar van beraadslagen besluiten ze een orde te worden. Ze kiezen Ignatius als algemeen overste. Hij schrijft een eerste opzet van een religieuze regel. Deze wordt door de paus goedgekeurd op 27 september 1540. De jezuïetenorde is een feit.


Onze Manier van Doen


...speel bestand af...

Ignatius en wij

'De Paus heeft heel 'onze manier van doen' goedgekeurd!' schreef Sint Ignatius verheugd aan zijn broer in 1539. Ignatius had de paus laten weten dat hij een nieuwe religieuze orde wilde stichten. Deze had om een korte ontwerptekst gevraagd en er vervolgens, in 1540, zijn goedkeuring aan gegeven. Wat stond daarin? Wat was die 'manier van doen'?

In de eerste paragraaf van Ignatius' tekst, het zogeheten 'Formulier', staat het doel van 'zijn' nieuwe orde beschreven, die hij overigens graag 'Sociëteit van Jezus' wilde noemen: In alles proberen wij de eer van God na te streven. Dat doen wij door 'het christelijk leven en de christelijke leer bij de mensen te bevorderen én het geloof door te geven door de dienst van het woord, door geestelijke oefeningen, door dienstbetoon, en met name door kinderen en onwetenden christelijk te vormen.'

Contemplatief in de actie

Was dat wel zo nieuw? Dat deden eerder gestichte ordes, zoals bv. dominicanen en franciscanen, ook. Pas in de vijfde en laatste paragraaf komt de aap uit de mouw: 'Wij bidden het breviergebed niet samen in het koor: dat zou ons afhouden van het dienstbetoon, waaraan wij ons allemaal hebben gegeven.' Dat was inderdaad revolutionair: een orde die niet zeven keer in de kerk bijeenkwam om de getijden te bidden en te zingen. Waarom niet? Omdat de dienst aan de mensen voor jezuïeten het allerbelangrijkste is. Ignatius vervolgt: 'Om dezelfde reden gebruiken wij geen instrumenten of gezangen in onze eucharistievieringen of andere gebedsdiensten. Het zijn op zich lofwaardige middelen die bij sommige priesters en religieuzen de eredienst kleur geven. Bedoeld om de mensen te raken en te bezielen. De ervaring leert dat ze bij ons een niet geringe hinder zijn, juist omwille van het specifieke van onze roeping: wij moeten dikwijls, naast talrijke andere noodzakelijke diensten, een groot deel van de dag en zelfs van de nacht doorbrengen met het troosten van zieken naar ziel en lichaam." Voor ons, jezuïeten, ligt het zwaartepunt niet in de eredienst, maar in de dienst aan de mensen. Sterker, ons dienstwerk op zichzelf is gebed. Een naaste medewerker zei van Ignatius: 'Hij is contemplatief in de actie.'

Allerhande plaatsen aandoen

Vandaar dat wij ook niet in kloosters wonen, waar je belooft je verdere leven tot aan je dood te verblijven; nee, wij, jezuïeten, wonen in huizen, uitvalsbases om de wereld in te trekken. 'De wereld is ons thuis', zeiden de medebroeders van de eerste generatie. Een jezuïet staat altijd klaar om bij het eerste teken van de overste zonder tegenstribbelen overal naartoe te gaan waar hij gezonden wordt.

En zo zien we van het begin af aan jezuïeten erop uittrekken, om overal in Europa en daarbuiten mensen te bewegen werk te maken van hun geestelijk leven, colleges te stichten, om vorsten enige tijd van dienst te zijn, en weer verder te trekken, om tot in de kleinste dorpen van de meest verafgelegen regio's volksmissies te preken; maar ook om naar Oost-Azië, de beide Amerika's en Afrika te gaan en er Christus te verkondigen. En passant ontdekten ze de bronnen van de Nijl, de toegangsweg over land naar China, brachten ze onbekende streken in kaart en drongen door in gebieden waar een blanke voor hen nog nooit geweest was.

Door hun deur naar binnen

Maar ook die verkondiging zelf draagt het stempel van 'onze manier van doen'. Als wij andere mensen tot geloof of tot geloofsverdieping willen brengen, moeten wij proberen aan te sluiten bij hun belangstelling en beleving. Ignatius zou gezegd hebben dat wij moeten proberen 'door hun deur naar binnen te gaan...' om uiteindelijk de uitgang naar Christus te vinden. Dat doet God immers ook met elk van ons; we zien het Jezus doen in het evangelie en wij moeten dat voorbeeld navolgen. Ignatius zelf was er een meester in. In zijn boekje 'Geestelijke Oefeningen' drukt hij de gebedsbegeleider op het hart bij de mensen vooral het goede te zoeken, en ervan uit te gaan dat de ander goede bedoelingen heeft.

Vooral in de missies heeft dit tot spectaculaire verkondigingsmethoden geleid. In Azië zien we jezuïeten het leefpatroon van Hindoes en boeddhisten overnemen, en groeien in waardering voor die vreemde religies; zo proberen zij de ander van binnen uit tot Christus te brengen. Onder de indianen van Noord- en Zuid-Amerika richten ze staties in naar het voorbeeld van de plaatselijke leefgewoonten. Aan de hoven van Japan en China verschijnen ze als Europese edelen en doen de plaatselijke wetenschappers versteld staan met hun wetenschappelijke kennis en moderne uitvindingen als klokken, muziekdoosjes, landkaarten, gedrukte boeken en geschilderde afbeeldingen van de Madonna. Door kritische medegelovigen om uitleg gevraagd van deze manier van doen antwoordde een van hen: 'Zoals in vroeger tijden een ster de Wijzen tot de aanbidding van de ware God voerde, zo zullen ook de vorsten van het Verre Oosten door kennis van de sterrenhemel ertoe gebracht worden de Heer van de sterren te erkennen en te aanbidden.'

God zoeken en vinden in alle dingen

Uit deze woorden komt nog een wezenstrek van 'onze manier van doen' tot uiting: 'God zoeken en vinden in alle dingen'. Alle dingen op aarde zijn door God geschapen en spreken dus van Hem. Wij moeten er gebruik van maken in zover ze ons dichter bij Hem brengen; zoniet, dan moeten we ze terzijde leggen. Daaruit spreekt een positieve benadering van de werkelijkheid. Wij hoeven ons niet - zoals vroeger woestijnvaders en monniken deden - terug te trekken uit de gewone wereld om God te zoeken en te vinden. Integendeel, de alledaagse werkelijkheid ís de plek waar God zich laat vinden. Vandaar dat de jezuïeten in hun onderwijsinstellingen ook lesgaven en -geven in zogeheten profane vakken: ook die kunnen tot God voeren. Hoe beter je was in je vak, hoe meer eer je gaf aan de Schepper! Zo kwamen ze er ook toe de vreemde culturen en gewoonten van verre volken nauwkeurig te beschrijven, en grammatica's en woordenboeken samen te stellen van hun talen!

Ignatius' manier van doen

Andere mensen helpen in hun geloofs- en gebedsleven, tot God brengen. Beter gezegd: bij anderen ruimte maken, zodat er rechtstreeks contact ontstaat tussen God en die persoon. Hoe deed Ignatius dat zelf? Daar horen we iets over in een brief aan twee paters die naar het Concilie van Trente worden gezonden: 'Ik voor mij zou traag zijn in het spreken, bedachtzaam en vol liefde, vooral als het gaat over netelige kwesties. Traag in het spreken, zou ik terdege luisteren, rustig bereid om de gedachten, gevoelens en wensen te leren kennen van degenen die spreken; om beter te antwoorden of te zwijgen. Wanneer over deze of andere onderwerpen gesproken wordt: argumenten geven voor beide kanten. Zo laat je zien niet vooringenomen te zijn door eigen oordeel. Ik zou mijn best doen niemand ontevreden achter te laten. Ik zou me schikken naar iedereen zonder voor iemand al te warm lopen. Het kan zeer helpen, wanneer ik geen rekening houd met tijd, tijdgebrek of haast. Dat wil zeggen: het is niet van belang of het mij gelegen komt, maar of het gelegen komt voor degene met wie ik spreken wil, met de bedoeling die persoon zo te bewegen tot meerdere eer van God.'

De woorden 'onze manier van doen' waren zeer geliefd bij Ignatius en de jezuïeten van de eerste generatie. Ze werden herhaaldelijk gebruikt in velerlei omstandigheden en verbanden. Een strakke omschrijving bestaat er niet van, en zou ook onmogelijk zijn. In 1979 schreef de toenmalige Generale Overste, pater Arrupe, een brief over 'Onze Manier van Doen'. Waarin bestaat ze volgens hem? Hij somt de volgende kenmerken op: 1. Liefde voor de persoon van Christus; 2. Liefde voor de kerk; 3. Het besef te behoren tot een 'zeer geringe Sociëteit'; 4. De vaardigheid te onderscheiden waar God wél en waar hij níet te vinden is; 5. Verstandig optreden waar het de zuiverheid betreft; 6. Het besef tot een gemeenschap te behoren. Pater Arrupe voegde er een prachtig gebed aan toe, gericht tot de persoon van Jezus. Het begint met de woorden: 'Heer, ik heb ontdekt dat het ideaal van onze-manier-van-doen Uw manier-van-doen-is.' En hij besluit: "Leer ons uw-manier-van-doen, opdat ze vandaag onze manier-van-doen wordt; opdat we het ideaal van Ignatius kunnen verwezenlijken: dat wij uw gezellen zijn, dat ieder van ons een 'alter Christus' - een andere Christus mag zijn; dat wij meewerken aan uw verlossingswerk. Ik vraag aan Maria, uw allerheiligste moeder, van wie U het leven hebt ontvangen, bij wie U drieëndertig jaar hebt geleefd, en die er zo toe heeft bijgedragen om uw manier-van-leven en van-doen te vormen, dat zij in alle leden van de Sociëteit andere Jezussen vormt naar uw beeld: authentieke jezuïeten."


De tien paters die aan de wieg stonden van de SJ-orde
De 11e, pater Hocez, was al gestorven voor de orde, in 1540, werd goedgekeurd.

Ignatius van Loyola* 1491, Loyola† 1556, 31 juli, Rome, Italië
Jean-Baptiste Codure* 1508, Provence† 1541, 29 augustus, Rome, Italië
Petrus Faber* 1506, Savoye† 1546, 2 augustus, Rome, Italië
Claude Le Jay* 1501/04, Savoye† 1552, 6 augustus, Wenen, Oostenrijk
Franciscus Xaverius* 1506, Navarra† 1552, 3 december, Sanchian, China
Paschase Broët* 1500/04, Arras† 1562, 14 september, Parijs, Frankrijk
Diego Lainez* 1512, Castilië† 1565, 10 januari, Rome, Italië
Simon Rodriguez* 1510, Portugal† 1579, 15 juli, Lissabon, Portugal
Alfonsus Salmeron* 1515, Toledo† 1585, 13 februari, Napels, Italië
Nicolas Bobadilla* 1507, Castilië† 1590, 23 september, Loreto, Italië
   
Diego Hocez* ?, Andalusië† 1538, eind april, Padua, Italië

TIPS:
Johannes van het Kruis
enbm
www.beeldmeditaties.nl l
#201

© A. van den Akker s.j.
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 29 mrt 2011